Dank namens de stichting ‘Druppel op de gloeiende plaat’!

Ana Rosa Soares is 40 jaar, Portugese van origine en alleenstaande moeder van een dertienjarige zoon. In Trouw werd zij laatst geïnterviewd over haar werk als schoonmaakster. Elke werkdag moet zij 17 hotelkamers in Rotterdam schoonmaken; ze verdient daarmee 1300 euro netto per maand. Dat is niet veel geld, maar zij lijdt vooral onder een gebrek aan respect. Er wordt niet naar haar geluisterd wanneer ze aankaart dat ze 17 kamers per dag niet haalt. Zelfs als er iets niet klopt met haar salaris, vindt ze geen gehoor.
In het interview zegt Ana: ‘Er zijn mensen die het veel slechter hebben dan wij. Maar ik zou zo graag eens met mijn zoon op vakantie gaan: een uitstapje naar Brussel of een weekje naar Centre Parcs.’
Toen ik dit las, kreeg ik het op mijn heupen en heb ik direct op Facebook en LinkedIn een oproep geplaatst. Als genoeg mensen een tientje zouden doneren, konden Ana en haar zoon makkelijk op vakantie, zo durfde ik mijn contacten voor één keer te vragen.
De reacties en bijdragen stroomden binnen. Iemand gaf zelfs 250 euro, een paar anderen vijftig, en er kwamen vele tientjesleden. De teller stond binnen een week op 800 euro. Ik heb Ana gebeld of ze dit wilde aannemen; ze antwoordde dat ze ‘sprakeloos’ was. Na even nadenken besloot ze ‘ja’ te zeggen en kon ze een vakantie boeken.
Ik was heel gelukkig, al kwamen er ook negatieve reacties. Zo schreef iemand dat zovéél mensen in Nederland niet op vakantie kunnen. Dat weet ik wel; dit was natuurlijk maar mijn hoogstpersoonlijke stichting ‘Druppel op de gloeiende plaat’. Maar ik zag toch genoeg redenen om in actie te komen. Ik denk dat er vaak respectloos met schoonmakers wordt omgegaan en dat ze onderbetaald worden, maar behalve tijdens verkiezingen kan ik daar niet veel aan doen. Het systeem kan ik niet veranderen, wel kan ik één keer iets voor één persoon doen.
Daar komt bij dat ik me verbonden voel met deze vrouw. Wij zijn precies hetzelfde; she is just another me. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje en ploeteren allemaal om gelukkig te zijn. Dat was mijn belangrijkste drijfveer en waarschijnlijk ook die van de vele gulle gevers – waarvoor dank.
Vanonder zijn petje zei mijn inspiratiebron de Dalai Lama laatst strijdbaar in Ahoy: ‘Verandering komt alleen tot stand door actie!’ Nou ja, ik heb vast niet veel kunnen veranderen, behalve misschien één zomer iets voor Ana.

Het paard van Ruby Wax

,,Mijn geest is net een steigerend paard”, zei iemand van mijn cursisten laatst treffend. Hij verzuchtte: ,,Zodra ik aan een mindfulness- of meditatie-oefening begin, gaat dat dier alle kanten op en sleurt mij met zich mee.”
Ik moest aan hem en zijn paard denken, toen ik vorige week eindelijk ‘Tem je geest’ van Ruby Wax las. Een heerlijk boek, vol humor en wijsheid en zelfspot en rake observaties over mediteren, mindfulness en de geest die alle kanten op schiet. Zij schrijft:
,,Door mindfulness te beoefenen, tem en kalmeer je die bokkende hengst van een geest door zachtjes de teugels te nemen en hem te sturen in de richting die je wilt, en word je uiteindelijk vrienden met hem. Als je een paard met een zweep slaat of slecht behandelt, is de kans groot dat hij je van zijn rug gooit in de modder en je waarschijnlijk nog een trap na geeft. Als je zachtaardig bent, hem geruststelt, een klein aaitje geeft en een bosje hooi, zal hij uiteindelijk rustig worden. Hetzelfde geldt voor de geest. Als je zeer kritisch en veeleisend bent ten aanzien van jezelf, lijd je niet alleen, maar berisp je jezelf ook nog voor je lijden door te denken: Waarom voel ik me zo? Ik zou me niet zo moeten voelen. Ik zorg er zélf voor dat ik me zo voel omdat ik zo’n …… ben.”
En op die stippeltjes mag iedere lezer dan z’n eigen favoriet invullen, dus: Omdat ik zo’n kluns of zo’n trut ben, of zo hardleers of stom ben, of hoe de hoogstpersoonlijke innerlijke criticus dan ook meestal tekeer gaat.
Zoals we tegen onszelf praten zouden we nooit tegen onze vrienden praten, schrijft Wax terecht – maar dat kan veranderen! Haar hele boek is één groot, overtuigend bewijs dat de geest, zelfs haar geest, ‘getemd’ kan worden en dat de innerlijke criticus een vriendelijke metgezel kan worden. ‘T is nogal een klusje, ik weet het, maar zelfs zij, met haar talloze en zware depressies, heeft die klus geklaard, of liever: doet dat nog, iedere dag opnieuw.

Klaarheid

Prachtig gedicht van Martin Bril, met mijn nieuwjaarswens voor ieder erbij: dat er vele momenten van klaarheid zullen komen in het jaar 2014….

Wat we willen:
Momenten
Van helderheid
Of beter nog: van grote
Klaarheid

Schaars zijn die momenten
En ook nog goed verborgen

Zoeken heeft dus
Nauwelijks zin, maar
Vinden wel

De kunst is zo te leven
Dat het je overkomt

Die klaarheid, af en toe

Uit: Martin Bril, Verzameld werk. Gedichten.
© Amsterdam, 2002.

Oh nee! Dat rapport!

Het was acht uur ‘s ochtends, ik liep met zoon en hond gemoedelijk naar school, tot we opeens achter ons een kreet hoorden. We draaiden ons om en zagen een vrouw die hard remde op haar fiets en schreeuwde: ,,Oh nee, nu ben ik dat rappórt vergeten!” Ze had het tegen niemand in het bijzonder, behalve tegen zichzelf. Haar hoofd zakte op haar stuur en weer schreeuwde ze, weer in zichzelf: ,,Ik kan hier niet meer tegen!”
Verbijsterd keken mijn zoontje en ik elkaar aan. Even wilde ik het uitproesten maar toen voelde ik vooral een grote golf van mededogen. Het is acht uur, het is een mooie herfstmorgen, de dag moet nog beginnen, hoe komt deze vrouw de dag door zonder in te storten? Dat is ze eigenlijk al, maar ze sleept zichzelf straks vast weer op haar fiets, richting het station, richting haar werk – met rapport of met schuldgevoel.
,,Ik ken haar wel,” zei mijn zoontje. ,,Ik was laatst bij haar aan de deur om kinderpostzegels te verkopen. Het was acht uur ‘s avonds maar het kwam haar niet uit, zei ze, want ze stond net te koken.”
Dus om acht uur ‘s ochtends is de stress al op een hoogtepunt en om acht uur ‘s avonds is ze net thuis uit haar werk…
Ik zal wel een beetje wereldvreemd zijn geworden. Maar ik vind de wereld van de werkdruk en de rapporten en de deadlines en de hele ratrace daaromheen soms zo onaantrekkelijk, zo ongezond, zo eenzaam.
,,Ze zei dat ik later maar moest terugkomen, maar dat heb ik niet meer gedaan”, zei zoonlief.
Dat laatste trof mij vooral. Eenzaam, ja.

Gedachten verhaaltje

Toon Tellegen, wijze en geweldige auteur, weet veel van gedachten, hersenspinsels en hoofdkronkels – en schrijft daar prachtig over:

De vlieg vloog tegen de mug aan, midden in de lucht. ‘Ik was in gedachten verzonken…’ zei de vlieg en streek zijn vleugels recht. ‘Ik ook! Wat toevallig!’ zei de mug die een bult op zijn voorhoofd had. ‘In welke gedachten was jij verzonken?’ ‘In mooie gedachten,’ zei de vlieg. ‘Ik ook! Wat leuk!’ zei de mug.
Zij gingen naast elkaar tegen een muurtje zitten, en de mug haalde een boek met gedachten te voorschijn en begon het voorzichtig door te bladeren. ‘Kijk,’ zei hij, halverwege het boek, ‘in díé gedachten verzink ik altijd.’ De vlieg bekeek die gedachten van boven naar beneden. Hij kende ze wel. Mooie gedachten waren het.‘Sla eens om,’ zei hij. De mug sloeg één bladzijde om. ‘Ja!’ zei de vlieg. ‘Die gedachten. Daar verzink ik altijd in.’ Hij wees een paar prachtige gekleurde gedachten aan en zoemde vergenoegd. ‘Ja,’ zei de mug, ‘dat zijn ook mooie gedachten. Dat vind ik ook.’
Zij kropen dicht tegen elkaar en keken verder in het boek. ‘Wat is dat voor gedachte?’ vroeg de vlieg en wees een dikke kronkelige gedachte aan. ‘Dat is een slechte gedachte,’ zei de mug. ‘Heb jij die nooit?’ ‘Nee,’ zei de vlieg, aarzelend, ‘zo’n gedachte kan ik me niet herinneren.’ ‘O,’ zei de mug. ‘Je wordt helemaal rood van binnen van die gedachte, als je hem lang genoeg hebt.’ ‘Nee’, zei de vlieg toen. ‘Die gedachte heb ik nooit.’ Want hij was nog nooit van binnen rood geweest. Dat wist hij zeker.
Zo bladerden zij verder en zagen nog talloze gedachten. Diepe gedachten, zware gedachten, een paar zwarte gedachten – ‘dat zijn noodlottige gedachten,’ zei de mug die het boek goed kende – en ook luchtige, lichtblauwe en rare gedachten. ‘Ik wist niet dat er zoveel gedachten waren,’ zei de vlieg, toen de mug de laatste bladzijde omsloeg. ‘Ja,’ zei de mug. ‘En dit is nog maar deel één.’
Zij schudden hun hoofd, namen afscheid van elkaar en vlogen elk een andere kant op. De avond viel, dunne witte nevels maakten zich los van de grond en begonnen rond te dwalen, tussen de bomen, alsof zij iets zochten. Het was midden in de zomer, midden in het bos.

Een wereld zonder kinderen

We moesten er lang op wachten dit jaar, maar dan had je ook wat.. . Een heerlijke zomer werd het, maar ook – vond ik – een opvallend onverdraagzame zomer. Middenin komkommertijd woedde er een discussie in dagblad Trouw over ‘al die asociale racefietsers’. Die maakten dit jaar weer de fietspaden onveilig door die te beschouwen als hun terrein, als hun spórtterrein waar ze hard bellend de gewone man op diens gewone fiets de berm in jagen. De racefietsers sloegen terug in Trouw en wezen er in ingezonden brieven op dat al die fijne fietspaden gewoon publiek terrein zijn, dus ook hun terrein.
Daarna meldden zich per brief de oudere fietsers, die zoveel last hebben van de jongere: van die pubers die in groepjes van drie of vier naast elkaar slingeren, kletsen en sms’en – en ook na veelvuldig bellen weigeren om wat in te schikken. De jongere fietsers sloegen niet terug – die lezen dagblad Trouw niet, vermoed ik – maar de discussie ging voort, en kwam erop neer dat eigenlijk iedereen asociaal is en dat iedereen met niemand rekening houdt. Niet op de fietspaden, niet op de zebrapaden, nergens niet. Ik las het en dacht: het is eigenlijk hilarisch, al die irritatie en agitatie – we leven gewoon in een vol land mensen, deal with it.
Ik vond het minder grappig worden toen ik vorige week las welk soort vakantie dit jaar dé grote populariteitshit is geweest. Dat blijkt de kindvrije vakantie te zijn. Steeds meer mensen schijnen te kiezen voor ‘een ongestoorde vakantie in een kindvrije omgeving’, aldus de website kindvrijevakantie.nl. Die kun je vieren in een hotel waar het verboden is voor kinderen, en waar je – ik maak geen grapje – naar toe kunt vliegen in een kindvrije vlucht.
Tja, een wereld zonder racefietsers, zonder fietsende ouderen, zonder fietsende jongeren, zonder mensen die tergend langzaam baantjes zwemmen in het zwembad (daar wordt ook veel over geklaagd) en dan ook nog zonder kinderen: dát zou me nog eens een fijne, rustige wereld zijn ! Dan zou je eindelijk eens kunnen genieten van je welverdiende rust.
Of ben ik nu cynisch? Dat is niet de bedoeling; liever probeer ik hiervan te leren. Want natuurlijk erger ook ik me regelmatig aan anderen in dit kleine volle land. Natuurlijk ben ook ik regelmatig onverdraagzaam. Tegenover de meeuwen bijvoorbeeld. O, ik haat die kolonie kolossale meeuwen die de ganse zomer op mijn dak in Leiden zit te krijsen en daarmee liefst rond vier uur ’s ochtends begint. Groepjes macho’s op racefietsen die agressief naar mij bellen op mijn slome stadsfietsje kunnen mij overigens ook niet erg bekoren. Maar steeds meer probeer ik mezélf tot de orde te roepen, niet de ander. Ik probeer niet dáár iets te veranderen maar híer: bij mezelf, in mezelf. Ik probeer in mijn meditatie de krijsende meeuwen en de ronkende vliegtuigen boven mijn hoofd op te merken en te benoemen als ‘horen, horen’. Want meer is het ten slotte niet; het is horen, en de rest – de gedachten, de ergernis – die rest doe ik helemaal zelf.
Om dat op te merken, en ervan te leren, ga ik iedere ochtend met mijn aandacht naar het midden van mijn lichaam, want daar is het stil. Dat is hoe Hans Andreus het beschrijft in zijn prachtige gedicht ‘Het midden van het lichaam’. En dat mag ik hier misschien wel even citeren ter inspiratie, of als tegengif tegen alle irritatie en agitatie.

In het midden van het lichaam staat het leven stil;
daar beweegt niets; misschien een grashalm,
een weinig muziek, een paar wolken.
Daar woont ook de kleine god van het geduld.
Hij knielt en kijkt over de aarde;
hij zit met gevouwen benen
en volgt een paar vogels die verdwijnen in de verte.
Hij zegt niets wat de mensen kan schaden
of de vogels. Alles is eender,
denkt hij, voor zover hij denkt.

Schommelen

Heerlijk citaat:

,,Worry is like a rocking chair:
it gives you something to do
but it doesn’t take you anywhere.”

(Zen gezegde)

Achter de waterval

Geen mindfulnesscursus zal ervoor kunnen zorgen dat de beproevingen verdwijnen uit ons leven. Files, lastige collega’s, pijn, stress, tegenvallers, slecht weer, burengerucht, moeilijke schoonmoeders, huilbaby’s, dreigend ontslag of je favoriete jam is uitverkocht…. Groter en kleiner leed zal ons altijd blijven vergezellen, nu eens wat meer en dan weer eens wat minder, en de ene persoon wat meer dan de andere. Met mindfulness kun je wél je reactie op al die grotere en kleinere ellende observeren, en een beetje bijsturen. Je innerlijke houding kan wel veranderen – dáár zit ‘m de (niet geringe) winst.
Maar die waterval blijft. Ik gebruik dit beeld vaak in de cursus omdat het zo mooi illustreert hoe iets – noem het tegenslag, of ‘lijden’ – altijd in ons leven aanwezig zal blijven. Neem herrie in de trein: bellende mensen, pratende mensen, smakkende mensen, omroepberichten, de I-pod van degene naast je. Als een waterval blijft de herrie zich over ons uitstorten, en komen we dan eindelijk thuis, dan begint de buurman te boren. Wat we in zo’n geval kunnen doen, is deze ruis observeren als een waterval die weliswaar door raast, maar waarbij wij bewust kunnen beslissen om een stapje terug te doen. Om áchter de waterval te gaan staan. Beproevingen als herrie, stapels werk op ons bureau, of chronische rugpijn verdwijnen daarmee niet, maar wij laten ons er niet door meesleuren, niet door overspoelen. Wij zetten een stapje achteruit. Niet om ons helemaal af te zonderen, want we doen nog wel mee: we voelen de druppels en horen de waterval nog steeds, maar we observeren dit moeilijke moment eerst even, en beslissen dan hoe we het beste voor onszelf kunnen zorgen. Door even naar buiten te wandelen, weg van die stapels op het bureau; door onze ademhaling te volgen; een kop thee te nemen; een vriendin te bellen of onze gespannen schouders los te maken.
Een cursiste vertelde laatst hoe ze de beproeving moest doorstaan om met haar moeder een beloofd dagje Bijenkorf te doen. Het was tijdens de Drie Dwaze Dagen, of de Maffe Marathon, of hoe heet dat gedoe waarbij het ‘shop-till-you-drop’-credo geldt.
Ze kwam, ze zag en ze schrok: één grote graaiende mensenmassa. Oh, dit is gewoon de waterval, bedacht ze toen, en ze vertelde hoe ze letterlijk een stapje achteruit zette, het allemaal een beetje bekeek en aandachtig haar ademhaling volgde. Niemand die last van haar had, maar zij had dat ook van niemand. Haar moeder amuseerde zich prima en zijzelf bleef rustig en redelijk onaangedaan onder het geduw en gedrang, dat haar vroeger zo kon aanvliegen.
Dit is het mooiste voorbeeld van een moderne waterval dat ik ooit hoorde. En een mooi, inspirerend voorbeeld om zelfs in die letterlijk kolkende massa rustig te kunnen beslissen níet kopje onder te gaan.

Helder water

Zo jongens, mama gaat weer een weekje planten eten, grapte ik tegen de kinderen toen ik twee weken geleden mijn spullen pakte om op mijn jaarlijkse retraite te gaan. Om ze een beetje te plagen vertel ik dan altijd dat daar veganistisch gegeten wordt; alleen maar plantaardig dus. Dat ik iedere dag om vijf uur op moet en dan de hele dag moet mediteren en niemand mag spreken, zelfs niet mag aankijken. Als mijn zoontjes dan heerlijk aan het griezelen zijn over zoveel zelfverkozen leed, is er altijd wel één van de twee die aan me vraagt: Maar waaróm ga je daar dan naartoe?
Dit keer stond ik even met de mond vol tanden bij die vraag. Ja, waarom koos ik er nu weer vrijwillig voor om deze geweldige jongens een hele week niet te zien, waarom wilde ik mij terugtrekken in een afgelegen oord waar ik weer veel honger, veel slaap en veel andere obstakels zou ontmoeten? Ik wist het antwoord even niet.
Nu, net na terugkeer, weet ik het antwoord weer heel goed. Wat was het heilzaam om alles achter me te laten en los te laten: mijn telefoon en mijn email en mijn internet en mijn werk en mijn keukenkast vol koffie en koekjes en chocola – en al mijn andere vastgeroeste gewoontes. Wat was het mooi om met 25 andere, volstrekt onbekende mensen een potje te zitten zwijgen, en aan het einde van de week tóch een hechte band te voelen. Wat waren die veganistische maaltijden heerlijk en gezond, en wat heb ik weer veel gehad aan die intensieve meditatie beoefening. Mijn geest voelt helder en stil als een bergmeer; alle ruis en gruis lijken naar de bodem te zijn gezakt.
Dankzij dat heldere water kan ik nu weer heel goed zien wat belangrijk is, en wat niet. Ik moest tijdens mijn retraite denken aan die mooie dichtregels van Wislawa Szymborska, die schrijft hoe ze onder een boom zit, hoe ze geniet van ‘het gras dat aan de aarde is genaaid’, en dan bedenkt: ,,Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid / dat wat belangrijk is / belangrijker is dan wat onbelangrijk is.”
De onvriendelijke mail van die ene opdrachtgever die me laatst zo van mijn stuk bracht is bij nader inzien volstrekt onbelangrijk. Die twee spiksplinternieuwe rimpels onder mijn ogen die ik er volgens de spiegel weer bij heb gekregen: onbelangrijk. Dat congres dat ik laatst moest voorzitten en dat niet zo best ging: niet belangrijk. Dat congres dat zo goed ging overigens ook niet….
Wat wel belangrijk is? Nou: mijn gezin, een paar dierbaren daaromheen, en – in mindere mate – mijn werk. Dat is het wel zo’n beetje. O ja, en mijn meditatiebeoefening natuurlijk, anders kon niet zo helder onderscheiden wat echt belangrijk is.
Het leven is weer even heerlijk overzichtelijk.

Wat je vindt, mag je houden

Wat was ik aan het stuntelen, afgelopen vrijdag tijdens de workshop ‘Geweldloze communicatie’. En wat was het interessant, om mezelf zo bezig te zien en om te horen hoe het ook anders kan.
Niet dat ik normaalgesproken zo gewelddadig communiceer; ik geloof dat ik vaak wat aan de andere kant van het spectrum zit: te timide, te verontschuldigend. Dat kan dus anders, heb ik vrijdag pijnlijk duidelijk ervaren. Heb je een verzoek, wil je iets uitpraten: zeg het dan helder en duidelijk, maar zonder agressie (en zonder timide verontschuldigingen…). Dat is de simpele en tegelijkertijd moeilijke boodschap van de stroming Geweldloze communicatie. Even moest ik vrijdag aan een onderwijzer van vroeger denken, die altijd zo ontwapenend tegen ons, kleutertjes, zei: ‘Zeg wat je voelt, dan begrijpt de ander wat je bedoelt.’
En daar gingen we dan, tijdens deze workshop, geen kleuters meer maar echte volwassenen: zeggen wat we voelen, en daarna een helder en duidelijk verzoek doen. Het werd dus een heel gestuntel.
Een voorbeeldje. Wanneer je zegt tegen je huisgenoten: Het is hier een zootje! dan vertel je niet wat je voelt en ook niet wat je eigenlijk wilt. Ja, indirect wel, maar je gaat je doel vast niet bereiken met deze geïrriteerde woordkeus. Zeg liever: Ik heb behoefte aan wat orde hier in huis. Of, nog neutraler: Er liggen hier allemaal kleren. Daarná doe je je verzoek: Heeft iemand tijd om even te helpen met opruimen?
Ja, zo simpel kan het zijn, met zo weinig omhaal van woorden, en met zo’n verschil van toon.
De vier te volgen stappen in deze communicatievorm lijken al even simpel. Stap één is waarnemen. Bij deze stap zeg je bijvoorbeeld tegen je partner: Jij komt thuis en je duikt achter de krant. Of, beter nog: Ik zie dat jij nu de krant gaat lezen. Stap twee is je gevoel uiten: Ik merk dat ik me daardoor wat eenzaam voel. Stap drie: je behoefte uiten. Ik wil graag even contact met je. En tenslotte je verzoek doen: Zullen we eerst even bijpraten?
Een eyeopener vond ik ook deze tip uit de training: Gooi niet direct je post bij de ander op de mat, maar bel eerst aan. Vraag dus bij lastige gespreksonderwerpen eerst: Vind je het goed als ik er iets over zeg? En deze tip, ten slotte: Laat je oordelen zoveel mogelijk weg. Heel ludiek werd dit geformuleerd in de volgende oneliner: Wat je vindt, mag je houden.
Ja, ik wil nog wel zo’n training volgen. Opdat ik beter word in deze vorm van communicatie, die ik liever anders zou noemen, overigens. ‘Constructief, conflictloos communiceren’ – dat lijkt me wel wat. Ik zal nog een flinke tijd moeten oefenen; ik schat ongeveer een leven lang.